Simone
Toen mijn grootmoeder, Simone, op haar 93ste thuis viel en haar knie brak, werd ze opgenomen in het woonzorgcentrum. Haar mobiliteit was beperkt. Ook haar zicht verslechterde. Ze zag bijna niets meer. Vanaf haar 94ste werden ook de symptomen van dementie steeds duidelijker. Ze vergat veel en werd achterdochtig.
Simone had een opname in het woonzorgcentrum altijd voor zich uitgeschoven. Enerzijds omdat ze erg op haar autonomie gesteld was, anderzijds omdat ze zich zorgen maakte over haar financiële situatie. Het leven was toch wel duur.
Wekelijks ging ik bij haar op bezoek en nam ik haar kledij mee om te wassen. Ik kende niemand die heel haar leven met zoveel zorg haar kledij waste, waarbij alles steeds fris rook, zacht aanvoelde en er nooit een vlekje te bespeuren was. Omdat dit voor haar belangrijk was, deed ik haar was in plaats van deze uit te besteden aan de wasserette van het woonzorgcentrum. Niet dat ik een waskrak ben, maar alles is beter dan… dacht ik. Zij zag het voornamelijk als een financiële winst en was me hier enorm dankbaar voor.
Op een dag kwam ik langs en wilde ik het wasgoed uit de mand halen. Geen mand te bespeuren…
Zorgverleners vertelden dat ze haar wasmand in de ruimte van het onderhoud hadden gezet. Mijn grootmoeder haalde namelijk ‘grote stukken’ zoals vuile rokken en truien er terug uit en hing ze weer in de kast. Zo zou alles na verloop van tijd een geurtje krijgen… Logisch. Om dat te vermijden, werd de wasmand verborgen.
Ik begreep waarom mijn grootmoeder dit deed en kreeg het warm vanbinnen. Elke week uitte ze me haar dankbaarheid. Op verschillende manieren. Ik was op dat moment een alleenstaande mama, studeerde en werkte voltijds. Ze wilde me niet teveel tot last zijn en daarom nam ze de grote kledingstukken weg. Zo zou ik minder werk hebben. Ik heb me door niemand zo gewaardeerd gevoeld als door mijn grootmoeder in haar dementie. Op haar manier zorgde ze voor mij.
Samen met de zorgverleners sprak ik af dat de wasmand terug in haar kamer kwam en wekelijks hing ik met mijn neus in de kast. Alles wat niet fris gewassen rook, vloog de zak in. Dat gevoel van betekenis wilden we haar niet afnemen. Het gevoel van veiligheid dat ze me bood, maakte me gelukkig.
Annelies, kleindochter van Simone, bewoonster in WZC Heilige Familie
Cyriel
Donderdag 5 november. Het is 11 uur als ik doorheen de polders wandel en m’n telefoon rinkelt. De directeur van één van de Odette partner-woonzorgcentra aan de lijn: ‘Corona, we krijgen het niet meer rond. We hebben hulp nodig.’
Donderdag 12 november. Het is 7.45 uur als ik doorheen de deur van het woonzorgcentrum loop. Registreren: check. Welgeteld 15 minuten later sta ik – na een spoedintroductie – op een afdeling voor de deur van Cyriel. Een verpleegkundige duwt me een tablet in m’n handen: ‘Daarop kan je lezen wat je moet doen. En euh, ah ja, Cyriel is nogal angstig. Maar dat is hij altijd wel een beetje. Als er iets niet duidelijk is, ik ben de kamer hiernaast.’
Vandaag is het mijn taak om bewoners te verzorgen en hun gezondheidstoestand te observeren. Dus ga ik de kamer van Cyriel binnen, ik stel me voor en vraag of het goed is als ik hem help bij het wassen.
‘Ik versta u niet.’
Drie keer herhaalt Cyriel z’n woorden. ‘Stom mondmasker’, denk ik bij mezelf en doe nog een poging. ‘Uit welk land kom jij!?’
roept hij uiteindelijk. ‘Ik versta u nog niet!’.
Hij wordt onrustig.
Het gaat niet om het masker realiseer me. Het is de taal. Ik spreek geen Westvlaams.
’t Is oal noar de wuppe…
Ik besef dat ik het over een andere boeg moet gooien. De tablet… Er verschijnen twee regels over het levensverhaal van Cyriel op m’n scherm. Hij is priester en de dagelijkse eucharistie is belangrijk voor hem. Hij houdt vast aan het gebed.
Ik vraag me af hoe ik in hemelsnaam bij een onbekende man, die naast me op bed zit en onrustig is, een ochtendverzorging kan uitvoeren zodat hij netjes gekleed aan tafel kan ontbijten. Dat hij me niet begrijpt, maakt hem angstig. Ik weet het even niet meer.
Op zijn nachtkastje ligt een dik boek met een kruis. Later zal ik pas begrijpen dat het een kerkboek is. Ik neem het vast en ondersteun mijn woorden met gebaren: ‘Of hij voor mij wil bidden?’
Cyriel spreidt z’n ogen. Ik heb duidelijk z’n aandacht getrokken. ‘Maar ik ben nog niet gewassen! Zo kan ik toch niet bidden.’ Ik sta recht en stap naar de kast, toon hem een aantal kledingstukken. Weinig reactie. Ik leg ze naast hem. Terwijl hij afwachtend op de rand van bed zit, neem ik een washandje, ga voor hem staan en wrijf voorzichtig langs de ene kant van z’n gezicht. Hij laat het toe, het is oké. Terwijl ik probeer rustig verder te doen, wordt hij ongeduldig. Ik beslis dat het kattewasdag wordt.
Niet veel later zit Cyriel aan tafel mét het kerkboek. Geen idee of hij de juiste schoenen aan heeft. En die vest, had ik die wel al mogen aantrekken?
Ik neem plaats op de vensterbank, vlak bij hem.
Welke dag we zijn?
Donderdag, Cyriel.
Van welke maand?
November.
Hij zoekt. Met vloeiende beweging glijden z’n vingers doorheen het boek. Hij blijft zoeken. Opnieuw vraagt hij welke dag het is.
Ik weet welke bladzijde het is. Mag ik?
Hij geeft het boek door.
Ik sla een pagina open en geef het boek terug.
Cyriel recht z’n rug en begint luidop te lezen. Een krachtige stem. Hij leest verder en een zeker ritme versterkt de gebeden. Wat een uitstraling…
Ik word er stil van. Niet van de gebeden, want gelovig ben ik niet. Wel van hem.
Die man, die tot voorheen onbekende man, heeft me vandaag veel geleerd.
Mijn taak was hem te verzorgen.
Hij heeft me getoond hoe ik voor hem kan zorgen.
Met een was-middel nog wel.
Katrin